Over Kees van Dongen

Kees van Dongen (1877-1968) is een wereldberoemde kunstschilder die, hoewel geboren in Rotterdam, het grootste deel van zijn leven in Frankrijk doorbracht. In 1929 kreeg hij de Franse nationaliteit.
In eerste instantie verdiende hij zijn geld als huisschilder en illustreerde hij (satirische) tijdschriften. Dit deden veel kunstenaars, ze maakten potloodtekeningen voor tijdschriften zoals l’Assiette au Beurre. Veel misstanden in de maatschappij werden in deze tekeningen aan de kaak gesteld. Zo maakte Van Dongen een serie tekeningen over prostitutie waarin hij wees op de armoede en minachting ten aanzien van de prostituees. Van Dongen pakte overigens alles aan om geld te verdienen zodat hij schildersmateriaal kon kopen.

In het begin van de 20e eeuw was Frankrijk en met name Parijs erg in trek bij artiesten. Veel schilders trokken er naar toe, zoals Mondriaan, Dufy, Van Gogh en Picasso.
Rond 1905 ging Kees van Dongen wonen in het ‘Bateau Lavoir’, een verzameling ateliers waar onder andere ook Picasso woonde. Hier woonde hij met zijn Nederlandse vrouw Guus en werd hun dochter Dolly geboren.
In deze periode volgden ook de eerste exposities en werd zijn werk toegelaten tot diverse Salons. Picasso en Kees van Dongen werden er vrienden en zochten vaak samen het uitgaansleven op rondom Montmartre om er te schilderen en werk te verkopen.
De heldere kleuren die gebruikt werden in die tijd leverden hun de bijnaam ‘les Fauves’ op, de ‘wilde beesten’. Zelf noemde Van Dongen zich geen fauvist, zijn kleuren kwamen van het uitgaansleven zei hij zelf.
Het boek Au beau temps de la Butte geeft de periode weer van de bewoners van het Bateau Lavoir. Het boek is geïllustreerd met 20 litho’s van Van Dongen.
Rond deze periode kreeg hij ook in Nederland bekendheid en organiseerde de Rotterdamse Kunstkring een tentoonstelling met zijn werk.
Later ging Van Dongen ook veel vrouwelijk naakt schilderen, vaak in gedurfde poses, wat regelmatig tot relletjes leidde. Op de herfstsalon van 1913 werd een doek zo aanstootgevend gevonden dat het van hogerhand verwijderd diende te worden.


Tijdens de Eerste Wereldoorlog bleef hij in Parijs en verbleven Guus en Dolly in Rotterdam. In die periode leerde hij Leo Jasmy kennen, een vrouw van eenvoudige komaf maar een vrouw met allure, gekleed als een mannequin. Ze was directeur van het modehuis Jenny.
Samen veroverden zij de Parijse modewereld, daarbij gebruik makend van haar enorme netwerk.
Zij betrokken samen een prachtig appartement nabij het Bois de Boulogne, waar hij thuis verkoopexposities organiseerde. Hij schilderde vooral vrouwen uit de hoogste kringen, vaak schaars of niet gekleed. Er werden wilde en mondaine feesten gehouden, waar zijn dochter Dolly ook bij aanwezig was. Iedereen die geld had na de Eerste Wereldoorlog wilde door hem geschilderd worden. Van Dongen maakte daarnaast veel programma omslagen voor gala’s en diners.
Hij kreeg ook steeds meer opdrachten om boeken te illustreren, zoals ‘Le livre des mille nuits et une nuit’ en ‘La garçonne’ waarin de vrouw met een korte coupe en amandelvormige ogen werd neergezet. De garçonne look van Coco Chanel met kleding waarin een vrouw zich makkelijk kon bewegen deed veel stof opwaaien. Het werd door sommige mensen als onzedelijk gezien, wat de bekendheid van Van Dongen alleen maar ten goede kwam.
Hij verbleef in de zomermaanden vaak in Deauville en Cannes, waar hij schitterende aquarellen maakte voor het boek ‘Deauville’.

De verhouding met Jasmy liep ten einde en eind jaren dertig leerde hij Marie Claire kennen, die zijn laatste vrouw werd en moeder van zijn zoon Jean-Marie. Het gezin vestigde zich in Monaco, waar ze trouwden en hij uiteindelijk ook gestorven is. Jean-Marie werd in de oorlogsjaren geboren en in die periode heeft Van Dongen zich laten verleiden mee te gaan met een door de nazi’s georganiseerde reis. Het is onduidelijk waarom hij meeging en of hij zich gerealiseerd heeft wat voor impact dit had in de bezette landen. Hij werd na de oorlog dan ook enige tijd geboycot in kunstkringen en op exposities. Ook schilderende hij weinig in die tijd en zijn inkomsten liepen daarom drastisch terug. Om zijn gezin te onderhouden ging hij weer meer illustreren. In deze periode worden van sommige schilderijen werden ook litho’s gemaakt.


In 1947 schreef Marcel Proust de romancyclus ‘A la recherche du temps perdu’ waar Van Dongen alle kleurenreproducties voor maakte. De jaren daarna illustreerde hij vele boeken.
Bijna alle litho’s werden door Mourlot gedrukt.
In Nederland werden ook regelmatig exposities  georganiseerd onder andere in het Stedelijk museum en door kunsthandel Buffa en zonen in Amsterdam. In die periode na de Tweede Wereldoorlog werden een aantal werken door musea aangekocht, zoals het Singer in Laren, het Stedelijk , museum Booijmans en het van Abbe museum. Zijn niet altijd even tactische opmerkingen leiden tot relletjes in de kunstwereld in Nederland. Dit weerhoudt veel particulieren er niet van werk van hem aan te schaffen. De jaren na de oorlog waren er veel exposities van zijn werk en was hij weer flink in de belangstelling, door onder andere zijn portretten van Aga Kahn en Brigitte Bardot. Halverwege de jaren zestig trok hij zich terug in Monaco, waar zijn vrouw al de laatste jaren woonde. Zijn negentigste verjaardag werd groots gevierd met onder andere een grote tentoonstelling in Parijs en in het Boijmans van Beuningen. Hij was toen echter al te zwak om hierbij zelf aanwezig te zijn.
In 1968 overleed hij in Monte Carlo. Hij wordt gezien als een van de grootste schilders van zijn tijd.